maandag 30 juli 2012

Voorwoord van de Engelse uitgave - Het sterrenschrift der idealen

Het jaar is een oerbeeld van ontstaan en vergaan. Daar echter op het einde van het jaar een nieuw begin volgt, sluit het zich voor het gevoel aaneen tot een kring. De opeenvolgende jaren gaan steeds weer door deze kring heen, waardoor het jaar tegelijkertijd een oer­beeld van duur wordt. De zon als aanvoerster van deze hemelse rondedans verwekt en verlevendigt al het aardse, wiens doel een voortdurende metamorfose is. Maar terwijl de zon deze metamorfose zegent en wetmatigheid voorschrijft, doorloopt zij – gevolgd door de aarde en de andere planeten – voor het menselijk oog haar in zichzelf besloten baan door de vaste sterren van de dierenriem. Op hun beurt vormen metamorfose en duur de harmonie van de kosmische symfonie.

Er is weinig waarmee zich de menselijke ziel inniger verwant voelt dan met dit weefsel van vergankelijkheid en duur, van meta­morfose en wetmatigheid. Dit weefsel vormt het levenstapijt waarop de aardse gebeurtenissen zich afspelen. Ook die mensen die zich over de aard van dit tapijt geen voorstelling maken, zijn in hun onderbewustzijn gegrepen door het zinnebeeld dat het weer­geeft. Vele dichtwerken leggen hiervan getuigenis af. Maar de men­selijke ziel herhaalt niet alleen datgene wat in de natuur geschiedt, hoe diep ze er ook door bewogen moge worden. Ze voelt zich dan pas tevreden gesteld, wanneer ze daaruit iets nieuws laat ontstaan.

Het ritme van het jaar trekt de schepselen der natuur met zich mee zonder dat deze bij machte zijn zich hiertegen te verzetten of dit te veranderen. Ook de menselijke ziel kan zich aan het zomerlicht en de wintersduisternis in geluk en verdriet overgeven. Ze kan echter ook beleven dat het jaargebeuren in haar innerlijk een nieuwe ge­daante wil aannemen, zich wil ontwikkelen tot een gebeuren dat boven de natuur uitgaat. Als de ziel zichzelf beschouwt, kan ze merken dat de stemmingen der jaargetijden overeenstemmen met twaalf attributen van haar eigen wezen. Toch komen deze eigen­schappen niet, zoals bij natuurwezens, zonder haar eigen activiteit tot ontplooiing. Het zijn twaalf ontwikkelingsstappen waarin ze zich kan opvoeden en waarvoor ze zich moet inspannen. Daarom zijn het geen natuurlijke gaven, maar Deugden. In die zin kan de mens zijn eigen ziel als knop beleven die vurig naar het uitbotten verlangt. Weliswaar is de menselijke ziel al vóór haar zelfkennis en zelfmetamorfose met een rijkdom aan gaven begiftigd, maar deze verkommeren of veranderen zich zelfs in hun tegenbeeld, als de schat die in de ziel verborgen ligt, niet be­hoed en naar boven gebracht wordt. Daarvoor behoeft de ziel de leiding van haar eigen geest. Ze ervaart dan haar geest als de innerlijke zon, die zij in "het jaar van de ziel" bij haarzelf tot leven wekt en laat volgen met haar gang door de sterrenbeelden van de idealen. Gebeurt dit, dan begint in de ziel een soortgelijke ontwikkeling als in de natuur voorkomt en ook een afsterven en afvallen van het ongelouterde, lijkend op het vallen van de bladeren wanneer het jaar ten einde neigt. En ook de menselijke geest komt pas daardoor tot het uitstralen van zijn licht en warmte, indien de geest in twee­gesprek met de ziel zijn taak steeds beter leert kennen. 

Het pad der metamorfose dat de ziel onder de leiding van de geest in een wet­matige opeenvolging aflegt, voert evenwel (ook al heeft het inner­lijke oefenen herhalingen nodig) niet weer naar zijn begin terug. Veeleer ontwikkelt de ziel zich steeds levendiger en volmaakter, en maakt ze zich de idealen der Deugden, die de geest haar toont en tot welke ze van binnenuit geroepen is, eigen. Ze beschrijft in haar ontwikkeling niet een in zichzelf terugkerende beweging, maar een als een wenteltrap opstijgende cirkelgang. Anders uitgedrukt: de zielsknop ontplooit zich, komt door de geest bestraald tot bloei en draagt vrucht, in wier rijping zich ziel en geest op de innigste wijze verenigen. Doordat de geest het sterrenschrift der idealen aan de ziel uitlegt, maakt hij haar tot dichteres van haar eigen wezen.

Deze studies over de Deugden (die voor het eerst gepubliceerd werden in de Sternkalender, van Pasen 1969 tot Pasen 1970, te Dornach in 1968), gaan terug op korte aanwijzingen van Rudolf Steiner. Ze betreffen meditaties die in overeenstemming met het jaargebeuren geoefend kunnen worden. Deze aanwijzingen begin­nen met: "Tot 21 januari: Moed wordt tot verlossingskracht", en eindi­gen met: "Tot 21 december: Beheersing van de tong (taal) wordt tot waarheidsgevoel". De tijd van innerlijke metamorfose strekt zich steeds uit van de 21ste dag van de maand tot de 21ste dag van de volgende maand. Daar het om metamorfose en vooruitgang gaat, somt Rudolf Steiner niet een rij van Deugden op, maar wijst hij ons een weg aan van innerlijk werk aan onszelf, waarop wij de in ons als aanleg aanwezige eigenschappen ontwikkelen, deze in elkaar over laten gaan en zo scheppers van ons eigen wezen kunnen worden.

HerberWitzenmann                                        Dornach, augustus 1974                                                                                  

Geen opmerkingen:

Een reactie posten